Financiering, recht en IT-tools: welke middelen voor coöperatieve deelplatforms?

Tijdens de conferentie How to COOP the internet economy ging er uiteraard ook aandacht naar de praktische aspecten die komen kijken bij het ontwikkelen van coöperatieve deelplatforms en zeker bij de lokale coöperatieve versies ervan. Vier stemmen over hun ervaringen met recht, financiering en digitale tools.

Caroline Ker (Febecoop), Houssine Bakkali (CoopITEasy), Sandrino Graceffa (SMart).

Tools en praktische tips van Houssine Bakkali (CoopItEasy) en Sebastien Arbogast

Een deelplatform kan je zien als een plek voor uitwisseling tussen de gebruikers ervan. Die plek heeft een beheerder nodig die een regulerende rol speelt. Hij zorgt ervoor dat de uitwisselingen op het deelplatform optimaal verlopen. De uitwerking van een deelplatform moet gebaseerd zijn op de opbouw van een sterke gemeenschap. Als belangrijkste ambassadeur en als potentiële bron van financiering en technische vaardigheden is een lid van een gemeenschap immers een goede bondgenoot en een overtuigd klant van het deelplatform. Communicatiemiddelen (zoals Facebook, Twitter, Loomio of Slack) die op een oprechte en inclusieve participatieve manier gebruikt worden, zijn essentieel voor het onderhouden van de gemeenschap. Bovendien kunnen de gebruikers van het deelplatform er nog gemakkelijker bij betrokken worden door gamification-mechanismen op te zetten. Om ten slotte zeker te zijn van een efficiënte monitoring van zijn activiteit, de ontwikkeling van het deelplatform en de evolutie ervan, is het van cruciaal belang dat het team achter het deelplatform een beroep kan doen op een brede gemeenschap internetspecialisten en ontwikkelaars.

 

Juridische fundamenten door Caroline Ker (Febecoop) 

Er zijn twee juridische middelen die de stevigheid van een deelplatform moeten garanderen: contracten en vennootschappen.

Contracten zijn wilsovereenstemmingen waarmee een gemeenschap regels opstelt die de interne samenwerking en uitwisselingen reguleert. Ze kunnen uiteenlopende vormen aannemen, zoals algemene voorwaarden, handvesten, mondelinge afspraken … Bepaalde overeenkomsten/contracten zullen verplicht zijn en kunnen aanleiding geven tot overheidssancties. In dat geval moeten er bij de validering van het contract juridische verplichtingen worden nageleefd. Bv.: vrije licentie, creative commons – overeenkomsten die de samenwerking contractueel vastleggen en bepaalde verplichtingen voorzien voor het gebruik van gemeenschappelijke hulpbronnen (men kan een gemeenschappelijke hulpbron gebruiken op voorwaarde dat het een bijdrage levert aan de ontwikkeling ervan).

Een vennootschap kan omschreven worden als een gezamenlijke ‘kas’ waarmee vennoten hulpbronnen uitwisselen om een gemeenschappelijk project op poten te zetten; vennoten met rechten en plichten. De vorm van de vennootschap hangt af van het doel dat de oprichters voor ogen hebben. Ofwel investeren ze financiële middelen om winst te maken, en in dat geval kiezen ze voor een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Ofwel ontwikkelen ze een dienst die aan maatschappelijke noden beantwoordt, zonder investeringslogica waarbij de bijdrages van de stakeholders naar de individuele financiers vloeien. In dat geval opteren ze voor de coöperatieve vennootschap, onder meer omdat de uitkering van dividenden beperkt is.

Financiering volgens Sandrino Graceffa (SMart)

Sandrino stelt vast dat het niet vanzelfsprekend is om financiering te vinden voor burger- en coöperatieve initiatieven die niet in een kapitalistische logica passen. Ze moeten immers op korte en op middellange termijn kredietwaardig zijn en de sociale meerwaarde van dergelijke initiatieven wordt niet naar waarde geschat. Die moeilijkheid om voldoende fondsen te werven voor investeringen dreigt de solidaire burgerinitiatieven in een amateuristische categorie te duwen. Populaire financiering (crowdfunding) zou een bron van financiering kunnen zijn met de beperking dat de gemeenschap niet voldoende fondsen kan inzamelen wanneer de investeringsbehoeften te groot zijn. Een andere mogelijkheid is overheidsfinanciering, met de beperking dat overheidsfondsen vaak bedoeld zijn om werkingskosten te financieren en met het risico dat de initiatieven afhankelijk worden van overheidssubsidies. Ten slotte zijn private investeringsfondsen ook een mogelijke financieringsbron, op voorwaarde dat hun financiële participatie geen te grote invloed heeft op het bestuur van de gefinancierde organisatie.

Om zeker te zijn van financieringen tegelijk een zekere onafhankelijkheid te garanderen in de uitvoering van zijn projecten, zou een projectplatform het best een beroep doen op verschillende financieringsbronnen. De conclusie: er is een gebrek aan solidaire banken die de sociale economie kunnen financieren en sommige instellingen in de sociale economie, zoals de vakbonden, verzekeringen of ziekenfondsen, zouden een grote rol kunnen spelen in de financiering van de nieuwe sociale economie.