Wat als een uittredende vennoot die gehuwd is onder gemeenschap van goederen het bedrag van het scheidingsaandeel niet deelt met zijn echtgeno(o)t(e)? Kan de coöperatie dan aansprakelijk gesteld worden?

Een relevante kwestie sedert de inwerkingtreding van het nieuwe huwelijksvermogensrecht! Sinds de invoering daarvan op 1 september 2018 is er een ‘wettelijk vermoeden’ dat de vermogenswaarde van de aandelen die na het huwelijk zijn aangekocht tot het gemeenschappelijk huwelijksvermogen behoren, indien men gehuwd is onder het stelsel van gemeenschap van goederen. Enkel indien een vennoot zijn eigen geld aangewend heeft, dan behoren ook de aandelen op vermogensrechtelijk vlak wel nog altijd tot zijn persoonlijk vermogen. Hij/zij moet dit in geval van betwisting dan wel expliciet kunnen bewijzen.

Er zijn twee soorten rechten met betrekking tot aandelen: de lidmaatschapsrechten en de vermogensrechten.

De lidmaatschapsrechten worden geregeld door art. 1401 van het Burgerlijk Wetboek

“Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging: 

5. de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder uitoefent”.

De vermogensrechten worden geregeld in art 1405 van het Burgerlijk Wetboek:

“Gemeenschappelijk zijn:

5. de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in artikel 1401, § 1, 5;”

De lidmaatschapsrechten hebben een directe impact op de werking van de vennootschap. De vermogensrechten hebben daarentegen een impact op de privésfeer van de echtgenoten. Van een vennootschap kan/mag volgens ons niet verwacht worden dat ze de huwelijksstelsels van haar vennoten opvraagt of de wijzigingen daarvan  opvolgt. Noch de uitzonderingen die zich hierbinnen kunnen voordoen (binnen een gemeenschappelijk huwelijksvermogen werd het aandeel toch aangekocht met de eigen middelen van één van de partners). De verantwoordelijkheid voor het respecteren van de bepalingen in zijn/haar huwelijksstelsel lijkt ons bovendien te liggen bij de uittredende partner in kwestie.

Daarom worden de lidmaatschapsrechten meestal statutair goed omschreven, in tegenstelling tot de regeling van de  vermogensrechten.

Bijvoorbeeld:

Art xx

De aandelen zijn op naam en ondeelbaar met betrekking tot de vennootschap.

  • De vennootschap erkent, met betrekking tot de uitoefening van de rechten toegekend aan de vennoten, slechts één eigenaar voor elk aandeel.
  • Indien het aandeel het voorwerp is van mede-eigendom, heeft de vennootschap het recht om de uitoefening van de daarop betrekking hebbende rechten op te schorten totdat slechts één persoon is aangewezen als eigenaar van het aandeel.
  • In geval van ontbinding van het eigendomsrecht op één of meer aandelen, worden de rechten daarop uitgeoefend door de vruchtgebruiker. In geval van betwisting kan de bevoegde rechter, op verzoek van de meest gerede partij, een voorlopige bewindvoerder aanstellen om de betrokken rechten in het belang van de belanghebbenden uit te oefenen.

Indien de coöperatie zich toch volledig wil indekken tegen een claim van een zich gedupeerd voelende ex-echtgeno(o)t(e), bij de uitkering van een scheidingsaandeel aan zijn/haar voormalige partner, neem je het best een clausule op in het Intern Reglement.

Bijvoorbeeld:

“Indien  een gehele of gedeeltelijke uittreding of uitsluiting van een vennoot aanleiding geeft tot de uitbetaling van een scheidingsaandeel, of indien de vereffening van de vennootschap  aanleiding geeft tot de uitbetaling van een deel van het netto-actief; dan verbindt de gehuwde vennoot zich ertoe om de bepalingen van zijn huwelijksovereenkomst en meer bepaald, indien van toepassing, artikel 1405 van het Burgerlijk Wetboek te respecteren.”