Mag een coöperatieve vennootschap met vrijwilligers werken?

Veel coöperaties zetten vrijwilligers in en communiceren daar openlijk over op hun websites. Probleem: er is geen specifieke wetgeving en dus moeten we verschillende wetten interpreteren.

“Zonder winstoogmerk”

De eerste relevante wet, de wet van 3 juli 2005 over de rechten van de vrijwilligers, bepaalt:

Art. 3. Voor de toepassing van deze wet, wordt verstaan onder:
1° vrijwilligerswerk: elke activiteit:
a) die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht;
b) die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel;
c) die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privé-verband van degene die de activiteit verricht;
d) en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling;

2° vrijwilliger: elke natuurlijke persoon die een in 1° bedoelde activiteit verricht;
3° organisatie: elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging;

Tussenbesluit: vrijwilligerswerk mag alleen bij “een private rechtspersoon” als het er een is “zonder winstoogmerk”.

De vraag die we ons bijgevolg moeten stellen: kan een coöperatieve vennootschap als een “private rechtspersoon zonder winstoogmerk” beschouwd worden?

Artikel 1.1. van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, dat betrekking heeft op alle types vennootschappen, laat aan duidelijkheid niets te wensen over:

Art. 1.1: “Een vennootschap wordt opgericht bij een rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.”

Uit deze wettelijke bepaling (wet van 3 juli 2005 over de rechten van de vrijwilligers) blijkt dat coöperatieve ondernemingen geen beroep kunnen doen op vrijwilligers, aangezien ze per definitie een winstoogmerk nastreven (cf. artikel 1 van de Code van vennootschappen).

A fortiori voor erkende coöperaties

Dit verbod is a fortiori van toepassing op erkende coöperatieve ondernemingen, aangezien de voorwaarden voor erkenning uitdrukkelijk bepalen dat “Het voornaamste doel van de vennootschap is het verschaffen van een economisch of sociaal voordeel aan de vennoten ter bevrediging van hun beroeps- of persoonlijke behoeften”.

Besluit: volgens ons blijkt uit geen enkele rechtsgrond dat vrijwilligerswerk in een (erkende) coöperatie toegelaten is.  Wordt er binnen coöperaties vaak met vrijwilligers gewerkt en is er voor zover wij weten nog geen rechtspraak over, dan menen wij dat een coöperatie die een beroep doet op vrijwilligers zich op glad ijs begeeft als een instantie (sociale inspectie) daarvan een probleem of zelfs een rechtszaak maakt.

Wat met coöperaties erkend als sociale onderneming?

Vrijwilligerswerk in een coöperatie met sociaal oogmerk (nu: de sociale onderneming) bevindt zich in een donkergrijze en sedert kort zelfs in een zwarte zone.

Volgens de interpretatie die de Minister van Financiën gegeven heeft (Circulaire Ci.RH.241/509.803 van 05.03.1999), mogen de volgende entiteiten een beroep doen op vrijwilligerswerk:

“rechtspersonen, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, een ziekenfonds, een openbare dienst of een instelling van openbaar nut, een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die geen onderneming exploiteren of zich niet bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard.”

De volgende entiteiten mogen volgens dezelfde Circulaire geen beroep doen op vrijwilligerswerk:

 “enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard en aan de Ven.B, de BNI/ven., ofwel ten name van de vennoten of leden aan de PB of de BNI/nat.pers., is onderworpen […].”

Een (erkende) CV-SO zou dus een beroep kunnen doen op vrijwilligers, zolang deze onderneming zich niet bezighoudt met exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard en ze tegelijk aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen (en niet aan de vennootschapsbelasting). In dit kader vraagt de fiscus dat de CV-SO het vermogensvoordeel voor vennoten uit de statuten weglaat en opneemt dat ze geen dividenden uitkeert.

Om dat alles voor elkaar te krijgen moet je statutair opnemen dat je geen dividenden uitkeert.

Een cruciale vraag blijft: wat zal het oordeel van de fiscus zijn, nu vennootschappen, inclusief sociale ondernemingen, voortaan verondersteld worden volgens art. 1.1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen  “een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel aan de vennoten uit te keren”? En het bijgevolg volgens de letter van de wet niet meer kan om het principe van 0 % dividend in de statuten op te nemen?