Erkende coöperatieve vennootschappen: dividenduitkering aanslagjaar 2020

Nogal wat ondernemingen kondigen dezer dagen aan dat ze hun dividenduitkering tot nader order opschorten vanwege de onzekerheid rond de coronacrisis.

In deze onzekere tijden hebben nogal wat bedrijven hun liquiditeit immers zelf hard nodig, zeker wanneer de inkomsten deels of soms zelfs helemaal wegvallen. 

Ook binnen coöperatieve vennootschappen wiens algemene vergaderingen wellicht binnenkort doorgaan, zullen hierover de nodige afwegingen moeten gemaakt worden. 

Voor zij die toch overwegen om een dividend uit te keren, zetten we nog even de regels voor (erkende) coöperatieve vennootschappen op een rijtje. 

De erkende coöperatieve vennootschappen die de uitkering van een dividend over het boekjaar 2019 (aanslagjaar 2020) in het vooruitzicht stellen kunnen met volgende zaken rekening te houden.

Voor de erkende coöperatie:

 

 

In principe is elke vennootschap onderworpen aan de inkomstenbelasting op het totale bedrag van haar winst, met inbegrip van de uitgekeerde dividenden (art 185, §1, WIB 92).

Met de inwerkingtreding van de programmawet van 25 december 2017, die het artikel 185 WIB 92 wijzigt, genieten de erkende coöperatieve vennootschappen van een uitzondering op de regel waarbij de uitgekeerde dividenden in principe  behoren tot de belastbare basis van de uitkerende vennootschap.

Concreet is deze uitzondering van toepassing op het gedeelte van de dividenden uitgekeerd aan de aandeelhouders, natuurlijke personen, van de coöperatieve vennootschappen erkend door de Nationale Raad voor de Coöperatie, voor zover het dividend niet het (geïndexeerd) bedrag van 200 euro (aanslagjaar 2020) overschrijdt.

Dit betekent dat de dividend uitkerende vennootschap het bedrag van het dividend (tot max 200 euro per particuliere aandeelhouder) mee als kost mag boeken.  Op dit bedrag zal bijgevolg geen vennootschapsbelasting betaald dienen te worden.

voorbeeld:

Indien je 10.000 (particuliere) aandeelhouders hebt, en je betaalt een dividend van 200€ uit, dan kan de vennootschap in het boekjaar 2019 10.000 x 200 =  2.000.000 € in kosten nemen, ipv hierop vennootschapsbelasting te betalen.

 

 

Bij betaling van het dividend wordt de roerende voorheffing (30%) van het uitgekeerde bedrag ingehouden en doorgestort naar de administratie.  Dit betekent dat de erkende coöperatie (in het voorbeeld van 200 euro dividend, 140 euro uitbetaalt aan de particuliere aandeelhouder, en 60 euro doorstort naar de administratie.

Voor de particuliere aandeelhouder

Om burgers aan te moedigen om rechtstreeks te investeren in bedrijven is er een algemene belastingvrijstelling voor dividenden ingevoerd.  Deze vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt voor het aanslagjaar 2020 maximaal 800 euro.  Dit wordt aanzien als een vrijstelling in de personenbelasting, niet in de roerende voorheffing.

Het gaat hier niet alleen om dividenden  van erkende coöperatieve vennootschappen, maar het kunnen er ook van andere type vennootschappen zijn.

De vrijstelling wordt niet (langer) aan de bron -bij de dividend uitkerende vennootschap- toegepast, maar wel in de aangifte in de personenbelasting.  

De belastingplichtige dient de roerende voorheffing die ingehouden werd op de vrijgestelde dividenden (tot maximaal 800 € pp voor aanslagjaar 2020), te laten verrekenen in zijn/haar personenbelasting, om deze op die manier te recupereren.

Daarvoor kunnen de codes 1437-18/2437-18 van de aangifte gebruikt worden (hier vult men de ingehouden roerende voorheffing in – dus maximaal 30% van 800€).  

Dit maakt het natuurlijk niet eenvoudiger voor de particuliere aandeelhouder. Zo hoopt de fiscus  vermoedelijk dat een aanzienlijk aantal mensen dit bedrag vergeet terug te vragen via de personenbelasting, hetgeen een positief effect heeft op de overheidsfinanciën…

 

© Febecoop Vlaanderen – Brussel (maart 2020)