Waarvoor zijn we als oprichters aansprakelijk?

Oprichters kunnen in deze drie gevallen aansprakelijk gesteld worden, en veroordeeld worden. 

1. Ontbrekend bedrag

De oprichters kunnen eerst en vooral worden veroordeeld om het ontbrekend bedrag te betalen – boven hun eigen inbreng – indien:

  • het kapitaal niet volledig werd geplaatst, met name het vast gedeelte van het kapitaal waarvoor niet op geldige wijze of voor een lager bedrag werd ingeschreven
  • het vast kapitaal minder bedraagt dan het wettelijk minimumbedrag van 18.550 euro
  • de aandelen niet werden volgestort ten belope van het wettelijk vereiste bedrag (elk aandeel ten minste voor een vierde, de totaliteit ten minste voor een derde)

2. Geleden schade

De oprichters kunnen worden veroordeeld tot het vergoeden van de door derden geleden schade indien deze schade het gevolg is van hetzij de nietigverklaring van de vennootschap, hetzij een misleidende oprichtingsakte (onvolledige of onjuiste informatie). Het is de notaris die dit bij de oprichting zal moeten controleren. Let wel: niet elke notaris is goed vertrouwd met de coöperatieve vennootschap.

Lees ook: wat met de verantwoordelijkheid van de notaris?

De burgerlijke aansprakelijkheid (artikel 1382 van het burgerlijk wetboek) blijft ook altijd van toepassing: elke persoon die, als gevolg van een door hem begane fout, iemand anders schade berokkent, is burgerlijk (en dus op zijn bezittingen) aansprakelijk indien deze schade rechtstreeks verband houdt met de fout.

3. Oprichting met ontoereikend kapitaal

Tenslotte kunnen de oprichters ook worden veroordeeld indien de vennootschap werd opgericht met een “ontoereikend kapitaal”. Dit is alleen het geval indien de vennootschap failliet wordt verklaard binnen de drie jaar na haar oprichting. Een faillissement uitgesproken binnen deze vrij korte termijn, doet immers de vraag rijzen of de vennootschap wel voldoende slaagkansen had en of de oprichters niet ondoordacht te werk zijn gegaan.

In dit geval kunnen zowel de procureur des Konings (die frauduleuze faillissementen opspoort) als de rechter-commissaris (die door de rechtbank van Koophandel werd aangesteld om de afhandeling van het faillissement op te volgen) het financieel plan opvragen bij de notaris die de oprichtingsakte van de gefailleerde vennootschap heeft opgesteld.

Lees ook: Wat met de verantwoordelijkheid van de notaris? 

Om de oprichters te doen nadenken over de omvang van dit aanvangskapitaal, wordt hen door art. 391 van Vennootschapswetgeving namelijk de verplichting opgelegd om zo’n financieel plan op te stellen.

Art. 391 Voor de oprichting van de vennootschap overhandigen de oprichters aan de optredende notaris een financieel plan waarin zij het bedrag van het vaste gedeelte van het kapitaal verantwoorden. Dit stuk wordt niet openbaar gemaakt met de akte, maar door de notaris bewaard.

Als de vennootschap binnen de drie jaar na haar oprichting failliet gaat, dan overhandigt de notaris dit financieel plan aan de rechtbank op verzoek van de rechter of de procureur des Konings. De rechter zal o.a. op basis van het financieel plan oordelen of het startkapitaal van de vennootschap al dan niet “kennelijk” ontoereikend was voor de “normale” uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar.

De oprichters kunnen dus alleen maar worden veroordeeld indien zij hadden moeten weten dat het kapitaal niet volstond om de startfase (twee jaar) te overbruggen, in de veronderstelling dat er zich geen onvoorzienbare marktverstoringen hebben voorgedaan in deze periode.

Indien de rechtbank oordeelt dat de oprichters een fout hebben begaan bij de vorming van het startkapitaal, kunnen zij worden veroordeeld tot het geheel of een deel van het onbetaald passief van het faillissement. De rechtbank veroordeelt de oprichters niet noodzakelijk tot het betalen van alle schulden van de vennootschap, maar kan rekening houden met de ernst van de fout en met de concrete omstandigheden van het dossier.

De rechtsleer is het er ondertussen over eens dat het geplaatste kapitaal niet het enige element is dat in aanmerking dient genomen voor de financiering van de voorgenomen bedrijvigheid. Er mag ook rekening gehouden worden met bankkredieten, voor de sector normale leverancierskredieten en gangbare subsidies.

Kortom, de aansprakelijkheid van de oprichter komt in het geding indien het geplaatste kapitaal van de vennootschap kennelijk ontoereikend was om haar te voorziene investeringen te financieren en gedurende twee jaar al haar kosten te betalen, daarbij rekening houdend met de op realistische wijze geplande opbrengsten.