Wie wordt vennoot?

In een coöperatie kunnen verschillende soorten belanghebbenden een plaats als vennoot krijgen. Denk goed na over wie je wel en niet als vennoot in de coöperatie wil.

Een vennoot brengt een ‘vermogensbestanddeel in. Meestal is dat een inbreng in geld, soms in natura en vanaf 1 mei 2019 kunnen dat ook arbeidsprestaties zijn. Voor de vennootschap is dit een prettig vooruitzicht. Zo krikt ze haar solvabiliteit op.  Inbreng in geld verschaft haar werkingsmiddelen en meteen ook  een buffer tegen schuldeisers. Daartegenover staat dat de vennoten ook hun verwachtingen zullen hebben: dat de vennootschap hen goederen of diensten levert, een billijke return on investment biedt en hen rechten geeft in de algemene vergadering (bestuurders voordragen, beslissen over de wijziging van doel en statuten …).

Hoe kies je de juiste types vennoten voor jouw coöperatie?

1.  Vertrek van de essentie van de coöperatie

Volgens de Internationale Coöperatieve Alliantie is een coöperatie “een autonome organisatie van personen die zich vrijwillig verenigen om hun gemeenschappelijke economische, sociale en culturele behoeften en ambities te behartigen door middel van een onderneming waarvan ze samen eigenaar zijn en die ze democratisch controleren.”

Coöperaties zijn dus groepen van mensen die zich organiseren om een persoonlijk, collectief of maatschappelijk probleem aan te pakken door middel van een onderneming die hen een bepaalde dienstverlening aanbiedt.

Daardoor hebben de vennoten een drievoudige relatie met hun coöperatieve onderneming:

  1. Investeringsrelatie: net zoals in een klassieke vennootschap investeren vennoten risicokapitaal zodat de onderneming de dienstverlening kan opzetten, en zijn ze dus samen eigenaar. In ruil voor hun financiële inbreng creëren coöperaties waarde voor hun vennoten. Maar anders dan bij een klassieke vennootschap staat die waarde niet gelijk aan het maximaal vergoeden van het ingebrachte kapitaal door regelmatig dividenden uit te keren en/of het incasseren van de opgebouwde reserves bij uittreding.
  2. Transactierelatie: bijzonder aan de coöperatie is dat de vennoten meestal ook gebruikers zijn. Ze gebruiken de dienstverlening van de coöperatie. Dat kan als klant, betrokken burger, leverancier, medewerker … Op basis van hun behoeften treden vennoten toe of uit. Deze behoeften kunnen persoonlijk en/of maatschappelijk zijn.
  3. Zeggenschapsrelatie: de vennoten controleren en beheren de coöperatie op een democratische manier.

De combinatie van deze drie relaties – user owner, user benefit, user control – geeft een bijzondere dynamiek en een uniek ondernemingsmodel. Omdat de gebruikers de eigenaars zijn, ligt de focus op doelmaximalisatie: een optimale dienstverlening ten gunste van de vennoten (en veel minder op een financiële vergoeding van het ingebrachte kapitaal).

Bij de keuze van vennoten die je in de coöperatie wil opnemen, richt je je het best op mensen met een duidelijke interesse voor deze drievoudige relatie.

2. Maak een grondige stakeholderanalyse

Deze klassieke stakeholderoefening helpt je om te bepalen welke soort belanghebbende je het best in je coöperatie opneemt. En en passant geeft het je ook een zicht op welk beleid je tegenover de andere stakeholders kan voeren.

Stap 1: maak een zo volledig mogelijke inventaris van alle mogelijke stakeholders.

Denk hierbij aan:

  • werknemers
  • betrokken burgers
  • klanten
  • lokale overheden
  • subsidieverstrekkers
  • leveranciers
  • sympathiserende financiers
  • middenveldorganisaties
  • verenigingen
  • ….

Stap 2: verdeel deze verschillende categorieën stakeholders over vier categorieën:

  1. De coöperatie is sterk afhankelijk van deze stakeholders om haar missie waar te maken (positief of negatief)
  2. De coöperatie is weinig afhankelijk van deze stakeholders om haar missie waar te maken (positief of negatief)
  3. De stakeholders zijn sterk afhankelijk van de coöperatie voor hun doelstellingen of welzijn. (positief of negatief)
  4. De stakeholders zijn weinig afhankelijk van de coöperatie voor hun doelstellingen of welzijn. (positief of negatief)

Stap 3: plaats de stakeholders in onderstaande matrix

Stakeholders
Weinig afhankelijk Sterk afhankelijk
Coöperatie Weinig afhankelijk 1 2
Sterk afhankelijk 3 4
  • kwadrant 1: deze stakeholders zijn weinig afhankelijk van jouw coöperatie en omgekeerd is jouw coöperatie weinig afhankelijk van hen.
  • kwadrant 2: deze stakeholders zijn sterk afhankelijk van jouw coöperatie maar omgekeerd is jouw coöperatie weinig afhankelijk van hen
  • kwadrant 3: deze stakeholders zijn weinig afhankelijk van jouw coöperatie maar omgekeerd is jouw coöperatie sterk afhankelijk van hen
  • kwadrant 4: deze stakeholders zijn sterk afhankelijk van jouw coöperatie en tegelijk is jouw coöperatie sterk afhankelijk van hen.

Stap 4: bepaal het beleid tegenover de stakeholders

  • kwadrant 1: deze stakeholders vergen weinig inspanning van jouw coöperatie. Informeer hen als zij dat expliciet vragen.
  • kwadrant 2: luister goed naar de verwachtingen van deze stakeholders en probeer in de mate van het mogelijke aan hun verwachtingen te voldoen
  • kwadrant 3: luister goed naar deze stakeholders en doe alle mogelijke inspanningen om aan hun verwachtingen te voldoen.
  • kwadrant 4: dit zijn de primaire stakeholders. Overweeg om hen als vennoot in jouw coöperatie op te nemen! Of ga minstens een actieve dialoog met hen aan om er maximaal het beleid van jouw coöperatie op af te stemmen.